“Het gaat erom dat je de verbinding met de cliënt behoudt.”
Marion Kiewik is orthopedagoog-generalist bij Tactus Verslavingszorg en promoveerde in 2019 op het thema preventie en behandeling voor mensen met een lichte verstandelijke beperking (LVB) en middelenproblematiek. Na ruim 25 jaar ervaring in het werken met mensen met een LVB, maakte zij de overstap naar de ggz, waar zij inmiddels ruim een jaar actief is binnen de verslavingszorg.
Haar keuze voor dit vakgebied hangt sterk samen met haar persoonlijke achtergrond. Marion heeft een broer met een verstandelijke beperking, en door hem wist ze al vroeg dat ze dit werk wilde doen. Wat haar vooral aanspreekt in de orthopedagogiek, is de systematische benadering: het zien van de cliënt in samenhang met zijn omgeving, in plaats van enkel door de lens van een stoornis of diagnose. Die wisselwerking tussen cliënt en omgeving vormt voor Marion de kern van haar werk.
Van praktijkvraag naar promotieonderzoek
Marion rolde haar promotieonderzoek min of meer in. In 2008 ontmoette ze psychiater Joanneke van der Nagel in het werkveld. “Ik had een paar cliënten met een LVB die verslaafd waren aan alcohol, en zij had cliënten die de behandeling niet snapten door hun beperking. Toen kwam bij ons de vraag naar boven hoe groot die doelgroep met een LVB en een verslaving nu eigenlijk is”.
Toen ze hier verder indoken, ontdekten ze dat er wereldwijd nog weinig onderzoek was gedaan naar deze doelgroep. Dit was aanleiding voor Joanneke om zich in haar promotieonderzoek te richten op de epidemiologie, terwijl Marion inzoomde op de preventie en behandeling van deze doelgroep: “Als er geen passende behandeling is, hoe moet die er dan uitzien? En wat werkt het beste bij deze doelgroep? Daar heb ik mij toen op gefocust.”
Belangrijke inzichten voor behandeling
Eén uitkomst sprong eruit: voor mensen met een LVB gaat het vaak mis in de transfer van de spreekkamer naar de dagelijkse situatie. “Als iemand na de behandeling weer naar ‘buiten’ gaat, dan is dat het cruciale moment waar vaak weer problemen ontstaan. Iemand heeft bijvoorbeeld nog niet geleerd om dealers te vermijden of de negatieve emoties gewoon uit te zitten. In zo’n geval is de ‘belangrijke ander’ heel belangrijk voor zo’n persoon. De belangrijke ander is de persoon die de cliënt ziet als vertrouwenspersoon, als veilige haven. Voor kinderen zijn dit vaak de ouders of grootouders, voor cliënten met een verstandelijke beperking kunnen dit ook hulpverleners zijn, naast bijvoorbeeld familieleden.”
Ook blijkt vaak uit de praktijk dat cliënten een gebrek aan kennis hebben rondom middelengebruik en dat leidt weer tot risico’s. “Als iemand niet weet wat bepaald middelengebruik met je kan doen, dan neemt iemand bijvoorbeeld na tien minuten nóg één of meerdere XTC-pillen, omdat hij de effecten op dat moment nog niet voelt. Daarnaast blijkt regelmatig dat cliënten de behandeling niet goed begrijpen. “Dat betekent dus dat je op een passende manier moet uitleggen waarom bepaalde behandeling noodzakelijk is, alternatieven moet aanreiken en de steunstructuur rond de cliënt moet versterken.”
Ze ziet dat erkenning soms minstens zo belangrijk is als interventie. “Als het niet goed gaat, gaat iemand vaak meteen richting crisis. Maar soms helpt het meer om te zeggen: jij bent oké, jij mag er zijn, jij wordt gezien. Veel cliënten hebben dat nooit gekend in hun jeugd.”
Wat maakt mensen met een LVB extra kwetsbaar voor verslaving?
“Biologisch zie je dat deze doelgroep een kwetsbaarder brein heeft. Dat kan komen door bepaalde syndromen, een groter risico op niet-aangeboren hersenletsel of een minder ontwikkeld prefrontale cortex. Daarnaast gebruiken veel cliënten medicatie, wat weer kan leiden tot interactie-effecten met middelen.”
Ook op psychisch vlak spelen verschillende factoren mee. “Het overzien van gevolgen is vaak lastiger voor deze mensen. Veel cliënten bagatelliseren risico’s, zijn impulsiever of emotioneel nog onrijp.” In de sociale context ziet ze daarnaast een verhoogde gevoeligheid voor beïnvloeding. “Peer pressure heeft vaak grote impact, en de opvoedingssituatie speelt daarin een belangrijke rol.”
Ze merkt bovendien hoe zwaar het verleden van veel cliënten weegt. “Veel cliënten hebben extreem veel slechte ervaringen: trauma, uithuisplaatsingen, afwijzingen. Dan kun je je bijna voorstellen dat iemand zich verliest in middelengebruik, gewoon om dit alles te kunnen vergeten.”
Vroegsignalering begint bij de juiste vragen
Volgens Marion begint vroegtijdige signalering met het stellen van de juiste vragen. “Vraag zoveel mogelijk door over iemands geschiedenis. Als iemand speciaal onderwijs heeft gevolgd of vroegtijdig is uitgevallen, dan is er vaak meer aan de hand. Ga na waarom iemand school heeft verlaten: soms was dat al vroeg door middelengebruik, maar het kan ook zijn dat iemand het niet kon bijbenen. Of een combinatie.”
Daarnaast adviseert ze om cliënten actief te betrekken bij praktische handelingen, omdat dit subtiel informatie geeft over hun niveau. “Tijdens een intake moeten mensen bij ons bijvoorbeeld hun ID meenemen. In plaats van dat wij zelf het nummer opschrijven, vragen we hen om het hardop voor te lezen. Het is een efficiënte manier om inzichten te verzamelen over de cliënt.”
Ook bepaalde gespreksvragen kunnen helpen. “In de gehandicaptenzorg vroeg ik soms: heb je wel eens gehoord van MDMA? Als iemand weet wat dat is, dan weet je dat iemand niet helemaal bleu is rondom middelengebruik.”
Daarnaast is het belangrijk om in gesprekken steeds het systeem mee te nemen. “In een intake zeg ik soms: ik zie dat je dit lastig vindt. Vind je het goed als ik je familie even vraag hoe dat zit?” Ze ziet dat zorgverleners vaak geneigd zijn direct met het familielid te praten. “Maar begin altijd bij de cliënt. Maak er een driehoekje van: jij, de cliënt en het familielid. Dat is echt heel belangrijk om te doen.”
Cursus Verslaving bij mensen met een LVB
In de cursus Verslaving bij mensen met een LVB leer je hoe verslaving werkt in het brein van mensen met een LVB en welke typen verslaving voorkomen, met hun specifieke risico’s. Je ontdekt hoe je vroege signalen herkent, hoe je motiverende gespreksvoering inzet en hoe je met weerstand omgaat. Daarnaast krijg je praktische handvatten om zowel de cliënt als het netwerk beter te ondersteunen.
Marion wil zorgprofessionals graag het volgende meegeven tijdens de cursus: “Zorg is niet lineair, maar circulair. Je moet kunnen op- en afschalen op het moment dat dat nodig is. Zie een klinische behandeling daarom niet als een losstaande fase, maar als een tijdelijke intensivering, waarna je de begeleiding weer ambulant voortzet. Het zijn geen afzonderlijke zuilen; het moet één doorlopend proces vormen.”
Volgens haar vraagt dit soms om nét iets meer inzet dan strikt binnen de taakomschrijving staat. “Soms is het juist helpend om wel even mee te denken over een vervolgstap of contact op te nemen met de woningbouw. Het gaat erom dat je de verbinding met de cliënt behoudt, in plaats van je uitsluitend aan je eigen takenpakket te houden.”
Schrijf je hier in voor de cursus.